COREMANS (Paul)

Coremans, Paul (Borgerhout, thans district te Antwerpen, 29 april 1908 – Noorden, Nederland, 11 juni 1965), scheikundige, hoogleraar, conservator en restaurateur van schilderijen en monumenten.

Paul Coremans was de zoon van Ludo Constant en Maria Parmentier. Hij startte de kleuterschool te Sint Amands (1912-1914) en vervolgens tijdens de eerste wereldoorlog de lagere school te Abergele in Wales en te Le Havre in Normandië (1914-1918) om dit onderwijs af te maken te Mortsel-Oude God (1918-1920), waar zijn vader hoofdpostmeester was. Na zijn studies aan de Grieks-Latijnse afdeling van het Koninklijk Atheneum te Antwerpen, scheef hij zich in 1926 in de Faculteit Wetenschappen van de Université Libre de Bruxelles. Hij behaalde in 1927 het diploma van kandidaat in de Natuurwetenschappen. Tijdens het academiejaar 1931-1932 werd hij benoemd tot assistent in het laboratorium voor analytische scheikunde van professor Alexander Pinkus (1891-1945), waar hij in 1932 hij tot doctor in de scheikundige wetenschappen werd geproclameerd.

Coremans werd in 1934 aangetrokken door Jean Capart (1877-1947), egyptoloog, als hoofd van de Fotografische dienst en de Laboratoria van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis / Musées royaux d’Art et d’ Histoire. De eerste jaren na zijn aanstelling bracht hij het grootste deel van zijn tijd door met de studie van de authenticiteit en de bewaring van Egyptische kunstwerken. In 1937 maakte hij samen met Capart een eerste studiereis naar de Verenigde Staten van Amerika, waar hij o.a. het laboratorium van het Fogg Art Museum te New York bezocht. De directeur van deze instelling Rutherford J. Gettens (1900-1974) kan beschouwd worden als een pionier van de bewaring van het culturele erfgoed.

Coremans was van bij de oprichting van de Vlaams Chemische Vereniging in 1939 zeer actief als lid van het hoofdbestuur en als ondervoorzitter van 1955 tot 1958.

Tijdens de tweede wereldoorlog verzocht Capart aan Coremans om een campagne te starten om alle monumenten en kunstwerken in België te fotograferen. Na de oorlog was Coremans zeer actief in de repatriëring van gestolen kunstwerken uit Duitsland. De veiligheid van kunstschatten in tijden van oorlog werd een belangrijke zaak over de hele wereld. Dit onderwerp werd door Coremans besproken met voornamelijk Harold J. Plenderleith (1898-1997), F. Ian G. Rawlins (1895-1969), respectievelijk hoofd van het laboratorium voor conservatie in het British Museum en de National Gallery te Londen en met Georg Stout (1897-1978) van het Fogg Art Museum.

In 1946 werd Coremans directeur van het onafhankelijke Centraal Iconografisch Archief voor Nationale Kunst en van het Centrale Laboratorium van de Belgische Musea / Archives centrales iconographiques d’Art national et du Laboratoire central des Musées de Belgique, beter gekend als ACL. Deze instelling werd in 1957 omgevormd tot het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium / Institut royal du Patrimoine artistique (KIK/IRPA).

In de beruchte zaak van de vervalste Vermeer-schilderijen door Han Van Meegeren (1889-1947) werd Coremans in 1946 aangesteld als expert. Zijn bevestiging van het feit dat Van Meegeren zich zelf had aangegeven als vervalser heeft de kunstwereld nog tot 1956 bezig gehouden. Door de ontdekte vervalsingen kreeg Coremans wereldwijd bekendheid. In 1947 werd hij uitgenodigd door verschillende Amerikaanse instellingen om te spreken over de technieken die hij aangewend had bij het onderzoek van de vervalste Vermeers.

Bij Regentsbesluit van 18 februari 1948 werd Coremans benoemd in het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde (HIKO) gehecht aan de Faculteit van de Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit te Gent voor de nieuw gecreëerde cursus “ De Techniek der Beeldende Kunsten”.

Coremans richtte in 1949 met o.a. Jacques  Lavalleye (1900-1974) het Nationaal Centrum voor de Studie van de “Vlaamse Primitieven” / Centre national de Recherches “Primitifs Flamands” op. In 1951 werd het beroemde Gentse luik van Van Eyck “Aanbidding van het Lam” gerestaureerd in de Brusselse laboratoria. Tijdens 1953 gaf Coremans als gastprofessor een reeks seminaries in de Verenigde Staten van Amerika over de restauratie van het Lam Gods.

Paul Coremans had vóór de tweede wereldoorlog al contacten met buitenlandse collega’s, toch konden deze relaties maar pas later, in de gunstige sfeer geschapen door de oprichting van de UNESCO in 1945, tot concrete resultaten leiden in de schoot van de International Council of Museums (ICOM), opgericht in 1948. In een subcommissie van het ICOM was hij lid van het internationale comité voor museumlaboratoria. Hij was hiervan secretaris generaal van 1955 tot 1958. In 1952 werd hij lid van de commissie voor de behandelingen van schilderijen.

Samen met Harold J. Plenderleith, F. Ian G. Rawlins en George Stout richtte Coremans in 1950 het International Institute for Conservation of Historic and Artistic Works (IIC) op. De maatschappelijke zetel bevindt zich te Londen. Hij was voorzitter van dit Instituut van 1955 tot 1958 en vervolgens was hij tot aan zijn overlijden ondervoorzitter. Coremans was eveneens betrokken bij de oprichting, op initiatief van de UNESCO, in 1958 van het International Centre for the Study of the Preservation and Restoration of Cultural Property (ICCROM) (het zogenoemde Rome Centrum). In 1965 werd hij verkozen tot voorzitter van de algemene vergadering. In 1964 was hij betrokken bij de oprichting van het International Council on Monuments and Sites (ICOMOS). In de schoot van deze internationale organisaties ijverde Coremans steeds voor hulp aan de ontwikkelingslanden, waar zich enorme problemen stelden voor de bewaring van de cultuurgoederen.

Te Brussel werden vanaf 1962 in de nieuwe gebouwen van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in samenwerking met de Universiteit Gent theoretische en praktische cursussen georganiseerd betreffende het wetenschappelijk onderzoek en de bewaring van het culturele erfgoed. Dit onderwijs was bedoeld voor jonge Belgische scheikundigen en restaurateurs en buitenlanders die hun vorming wensten te vervolmaken (Brussels Art Seminars).

In 1956 werd Coremans een eerste zending opgedragen als raadgevend deskundige van de UNESCO voor de bescherming van historische monumenten in Indonesië. De regering had een expert gevraagd voor twee of drie maanden, maar Coremans kon zich dit niet veroorloven, wegens zijn belangrijke verantwoordelijkheden in België en bleef slechts enkele weken in Indonesië. Hij bracht echter stenen mee naar Brussel van Borobudur en enkele andere monumenten. De Belgische regering bood een beurs aan om een Indonesiër in zijn laboratorium te Brussel op te leiden gedurende twee jaar. Dit werd een standaardschema voor de volgende zendingen.

Naast zendingen in Europese landen (Noorwegen (1931),  Frankrijk (1952), Italië (1953), Joegoslavië (1960), Bulgarije (1961) en Spanje (1963, 1964) voerde Coremans talrijke zendingen uit in ontwikkelingslanden: in het zuiden van de Verenigde Arabische Republiek (thans Egypte) in december 1958-januari 1959 en in januari 1962, vooral in verband met de geplande bouw van de Aswan dam die verschillende tempels waaronder deze van Aboe-Simbel bedreigde; in januari- februari 1960 bezocht hij achtereenvolgens Irak en Iran; in april-mei 1961 Birma (thans Myanmar) en Thailand; met H. J. Plenderleith werd in april 1962 een zending uitgevoerd naar Tunesië; in maart 1964 bezocht Coremans Brazilië; in maart- april 1964 Peru en vervolgens onderzocht hij de muurschilderingen van de Maya’s te Bonampak in Mexico. De rapporten die Coremans na elke zending opstelde bevatten steevast de voornaamste oorzaken van de aantasting van de monumenten (zoals de samenstelling van het gebruikte materiaal, de neerslag en de relatieve vochtigheid, de wind en eventueel zandstormen, de aanwezigheid van water en het zoutgehalte) alsook de organisatie van de plaatselijke diensten.

Als gevolg van zijn zendingen in de meeste ontwikkelingslanden werd het hem duidelijk dat er voornamelijk twee problemen waren die verschilden met de situatie in de Westerse landen: in de eerste plaats de klimatologische factoren en andere specifieke problemen zoals de termieten die houten erfgoed doorboorden en in de tweede plaats het gebrek aan opgeleid personeel. Wat de tweede problematiek betrof was men gaan inzien, dat een opleiding in een Europees laboratorium nadelen met zich bracht, zoals een moeilijke aanpassing; daarom begon men met pilootprogramma’s voor de opleiding van specialisten te plaatse. In 1963 startte in samenwerking met de regering van Nigeria een opleiding voor Engelstalige en Franstalige studenten te Jos (in het Noorden van Nigeria) waar zich een uitstekend lokaal museum bevond. In 1964 werd Coremans uitgenodigd als gastprofessor.

Voor de UNESCO heeft Coremans zich ook nuttig gemaakt door het opstellen van verschillende handboeken bvb. The Conservation of Cultural Property: with Special Reference to Tropical Conditions (1967).

Talrijk zijn de eerbewijzen die Coremans ontving. De alumni van de Universitaire Stichting / Fondation universitaire te Brussel verkozen hem als voorzitter van 1956 tot 1960. De British Museum Association maakte hem in 1957 erelid. Aan de Wayne State University te Detroit werd hem op 26 november 1960 het diploma van doctor honoris causa aangeboden.

Om zich meer te kunnen concentreren op zijn vele opdrachten hield Coremans ervan om zich af en toe te isoleren en zijn geliefde sport, het hengelen, te beoefenen. In mei 1965 had hij juist een rapport geschreven, dat hij wilde voorstellen op de zevende algemene conferentie van het ICOM te New York. Het betrof zijn laatste van de meer dan 130 publicaties (waaronder 5 boeken) met als onderwerp “de vorming van restaurateurs”. In dit artikel gebruikte Coremans zijn uitgebreide ervaring, zijn enthousiasme over dit thema, dat hem nauw aan het hart lag. Hij pleitte voor een officiële erkenning en een opwaardering van dit beroep. Coremans overleed echter op 11 juni 1965 tijdens een kort verblijf te Noorden in Nederland, waar hij ging hengelen, schielijk aan een hartaanval.

In Mexico en India werden ook opleidingscentra gepland. Het centrum in Mexico werd op 28 januari 1966 geopend en kreeg de naam “Centro de Estudios para la Conservacion de Bienes Culturales ‘Paul Coremans’”. Aan de Universiteit van Delaware werd ter ere van Coremans een speciale stichting opgericht om postgraduaatstudies te organiseren om kunstconservators op te leiden. Op 3 september 1990 hield Caroline Keck (1908-2007) tijdens de openingsceremonie van het 13de Internationale Congres van het IIC te Brussel een lofrede over de invloed van het omvangrijke werk van Coremans.

Coremans heeft als scheikundige op het gebied van de conservatie en de restauratie van kunstwerken de intuïtief oordelende kunstkenners verrast en de wereld van de kunstwetenschap verbaasd. Hij introduceerde immers een nieuwe wetenschap, die de kunstwetenschap verrijkte met onschatbare inzichten. Daarenboven heeft Coremans zijn hele persoonlijkheid en onophoudelijke vechtlust ten dienste gesteld van het nationale en internationale kunstpatrimonium.

 

Hendrik Deelstra
26 novembre 2012
Universiteit Antwerpen (campus CDE)

Onuitgegeven bronnen

Archieven van het KIK/IRPA

 

Gepubliceerde bronnen

a) De publicaties van P.C. worden opgesomd in

   Coremans (P.), in Liber Memorialis (1913-1960), deel 1, Ugent, 1960, p. 512-515.

b) Andere gepubliceerde bronnen

  Hommage à Paul Coremans/ Hulde aan Paul Coremans (1908-1965), in  Bulletin de l’Institut royal du Patrimoine artistique/ Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, 8, 1965, p. 9-113.

 

Werken over P.C.

Lefève (R.), In Memoriam Prof. Dr. Paul Coremans, in Mededelingen        van de Vlaams Chemische Vereniging, 27, mei-juni, 1965, p. 107-109.

Keck (C.K.), Salute to Paul Coremans, in Journal of the American Institute for Conservation, vol. 30, 1991, p. 1-2.

 

Tomaison

Biographical Dictionary of Overseas Belgians